Verklarende woordenlijst

aandrijfgewicht: Gewicht dat zorgt voor de aandrijving van gaand werk, slagwerk of speelwerk.
angelusklok: Klokje dat oproept tot het bidden van een gebed (het angelus) om 07:00, 12:00 en 18:00 uur.
anker: Boogvormig onderdeel dat, met behulp van de slinger, tand voor tand het gangrad vrijgeeft.
ankergang: De meest voorkomende gang in zowel huis- als torenuurwerken. Het gangrad wordt enigzins teruggedrukt tijdens het bewegen van de slinger (energieverlies).
ankerpalet: Zie palet.
astap: Het verdunde uiteinde van een as, dat in een lager draait.
astronomische aanwijzing: Aanwijzing van de stand van o.a. zon, maan, planeten en figuren van de dierenriem.
beiaard: Speelwerk met 23 tot 49 klokken.
binnenwijzerplaat: Ook controlewijzerplaat, aangebracht op het uurwerk, vaak alleen voorzien van een minuutwijzer, die de tijd aangeeft die ook buiten op de toren wordt aangegeven.
bus: In de uurwerktechniek gebruikte benaming voor het lager waarin de astap draait. Zie astap.
carillon: Zie beiaard.
compensatieslinger: Zie temperatuurcompensatie inrichting.
conisch tandwiel: Tandwiel, met tanden onder een hoek van meestal 45 graden, bestemd voor het aandrijven van haaks op elkaar staande assen. Zie ook verdeelwerk.
constantekrachtinrichting: Voorziening om het ankerrad met een constante kracht aan te drijven, onafhankelijk van de grootte van het aandrijfgewicht of de verliezen in bijvoorbeeld de wijzeraandrijving.
Deelnemer: Eenieder die werkzaamheden voor de Stichting verricht kan Deelnemer worden, met de daaraan verbonden rechten.
drijfkrachthandhaving: Voorziening om het gaand werk dóór te laten lopen tijdens het opwinden.
druklager: Lager waar de verticale uuras aan hangt. Het gewicht van de uuras mag niet op het taatslager van het uurwerk rusten.
echappement: Zie gang.
emmergewicht: Stalen vat, gevuld met loden kogels of staalgrit, dat dient als aandrijfgewicht.
gaand werk: Tijdmetend deel van een uurwerk.
galmborden: Houten jaloezieën in een galmgat van de toren.
galmgat: Opening in de toren ter hoogte van de luid- of slagklokken om het geluid daarvan naar buiten te laten gaan.
gang: Voorziening die de snelheid van het gaand werk regelt door het regelmatig laten ontsnappan van een tand van het gangrad. De combinatie van gangrad en anker.
gangafwijking: De mate waarin een uurwerk afwijkt van de werkelijke tijd.
gangduur: De tijd dat een uurwerk kan lopen voordat het opnieuw geheel opgewonden moet worden.
gangrad: Het laatste en snelst ronddraaiende rad in het gaand werk, met speciale vertanding of voorzien van pennen.
gelijkzetinrichting: Voorziening om de tijd die op de wijzerplaten aan de buitenzijde van de toren wordt aangegeven gelijk te zetten met de juiste tijd.
grahamgang: Door George Graham (1673-1751) in 1715 bedachte belangrijke verbetering van de ankergang. Het gangrad staat stil tijdens het bewegen van de slinger (rustende gang).
grondrad: Het grootste en langzaamst ronddraaiende rad in het gaand werk of slagwerk. Het wordt via een palling door de opwindtrommel aangedreven.
halfuurnok: Zie uurnok.
halfuurslag: Enkele slag die de halve uren aangeeft.
horizontale uuras: As die één keer per uur, of één keer per twee uur ronddraait.
invallichter: Hefboom die het slagwerk stopt, zodra deze in een inkeping tussen de segmenten van de sluitschijf valt.
kabinet: Uurwerkkast.
katrol: Houder voorzien van één of meer ronde schijven met daarin een groef waarin een staalkabel of touw loopt.
kerkwijzerplaat: Wijzerplaat in het schip van een kerk.
klok: Slagklok, luidklok of speelklok. Hamers zorgen voor het slaan van de uren of kwartieren op een slagklok, die tevens kan dienen als luidklok d.m.v. een klepel. Een speelklok is een klok van een carillon.
kwartierslagwerk: Slagwerk voor de kwartieren.
lager: Messing of bronzen bus of blok waarin een astap ronddraait.
lepel: Uitsteeksel aan lepelspil in een spillegang.
lepelspil: Zie spil.
lichter: Hefboom in een speelwerk, die door stiften op de trommel wordt bewogen.
luidklok: Klok die geluid kan worden. Door het laten schommelen van de luidklok slaat de klepel aan de binnenzijde tegen de klok.
nood-eindschakelaar: Schakelaar, die als alle andere sturingen hebben gefaald, de hoofdspanning uitschakelt.
noot: Stalen stift aan de omtrek van een speeltrommel die de lichter bedient.
ontsnappen: De uurwerkterm voor het vrijgeven van een tand van het gangrad door het wegdraaien van een palet van het anker of de lepel van een spil.
opwindas: As met vierkant uiteinde waarop de opwindkruk past.
opwindkruk: Los te nemen kruk waarmee het uurwerk wordt opgewonden. Ook wel opwindslinger genoemd.
opwindsysteem: Vast aangebracht systeem dat het opwinden verzorgt.
opwindtrommel: Houten of metalen trommel waarop de staalkabel of het touw, waaraan het aandrijfgewicht hangt, is gewonden.
pal: Puntig onderdeel dat in samenwerking met een palwiel verhindert dat een as te ver terugdraait.
palet: Het deel van het anker dat contact maakt met de tanden van het gangrad.
palling: Samenstel van palwiel en pal.
palwiel: Rad met schuingeplaatste, puntige tanden, dat in samenwerking met een pal slechts in één richting vrij kan ronddraaien.
penkoppeling: Koppeling, voorzien van pennen, die axiale bewegingen kan opvangen.
pennengang: Een in 1741 door de Fransman Amant uitgevonden (rustende) gang bestaande uit een schaar en een gangrad voorzien van, meestal afgeplatte, ronde pennen.
rad: Tandwiel met 20 tanden of meer, vaak uitgevoerd in messing of brons.
religieuze oproep: Oproep om ter kerke te gaan door middel van het luiden van een klok.
rondsel: Klein tandwiel, met minder dan 20 tanden, in het algemeen van staal vervaardigd. Het kan ook bestaan uit twee flensen met daartussen ronde pennen, het lantaarnrondsel.
schaar: Anker bestaande uit een set van twee ankerbenen in een pennengang. De benen zijn soms verend ten opzichte van elkaar geplaatst om te voorkomen dat bij te grote slingerbewegingen of stilstand de pennen van het gangrad worden beschadigd.
schepper: Onderdeel dat bij elke omwenteling de zaag van een zaagslagwerk 1 tand laat opschuiven.
secondeslinger: Slinger van ongeveer 1 meter lengte die elke seconde een tand van het gangrad laat ontsnappen.
slaghamer: Hamer aan de buitenkant van een klok.
slaghefboom: Hefboom die via een trekdraad de slaghamer bedient.
slagklok: Een mechanisch, door een uurwerk met een slaghamer geslagen klok, doorgaans voor de hele en halve uuraanduiding.
slagrad: Rad met nokken die de slaghefboom naar beneden drukken.
slagtempo: De snelheid bepaald door het tijdsinterval tussen de opeenvolgende slagen op een klok.
slagtijdstip: Het tijdstip waarop slag- en speelwerken beginnen te slaan.
slagwerk: Deel van het uurwerk dat de slagen op de klok laat slaan.
slagwerklichter: Hefboom die door de uurnok van het gaand werk wordt bediend en het slagwerk start.
slingerdrijver: Onderdeel dat de gang met de slinger verbindt.
slingerlens: Lensvormig gewicht onder aan de slingersteel.
slingermoer: Stelmoer voor het verstellen van de slingerlengte.
slingertijd: De tijd die een slinger nodig heeft om van de ene uiterste stand naar de andere te bewegen. Men hoort dan één tik.
slingervanger: Apparaat waarmee de slinger in een zijwaartse stand wordt vastgehouden en op een gecontroleerde tijd weer wordt losgelaten.
slingerveer: Enkele of dubbele platte stalen veer waaraan de slinger hangt.
slipkoppeling: Koppeling die na het stoppen van het slagwerk de windvleugel de gelegenheid geeft om geleidelijk zijn opgebouwde energie af te laten nemen. Dit voorkomt tandwielschade.
sluitrad/-schijf: Rad met segmenten op de omtrek. De lengte van de segmenten bepaalt het aantal slagen.
sluitschijfslagwerk: Slagwerk uitgerust met een sluitschijf.
speelklok: Klok in een carillon.
speelwerk: Speelt elk kwartier een melodie op 23 tot 49 klokken; voorafgaand aan het hele uur de langste melodie.
spil: As met lepels in een spillengang.
spillengang: Gang uitgerust met gangrad en haaks daarop staande spil. Het gangrad treft men zowel horizontaal alsmede vertikaal aan in torenuurwerken.
stelling: IJzeren frame waarin het gehele samenstel van tandwielen is gevat.
Stichting: Stichting tot Behoud van het Torenuurwerk.
taatslager: Ondersteunend lager voor de verticale uuras.
tap: Het verdunde uiteinde van een as, dat in een lager draait.
tegenpalling: Automatische drijfkrachthandhaving via een veer en fijn vertand palrad.
temperatuurcompensatie inrichting: Voorziening om het onregelmatig lopen van een uurwerk, door verschillen in omgevingstemperatuur (waardoor de slingerlengte en daarmee de slingertijd varieert) te compenseren.
temperatuurgecompenseerde slinger: Zie temperatuurcompensatie inrichting.
tier: Streng in een staalkabel.
tijdseinontvanger: Elektronische ontvanger die tijdsynchronisatiesignalen via radiogolven ontvangt van een atoomklok.
tijdzone: Gebied met overal dezelfde tijd, bijvoorbeeld Midden-Europese Tijd (MET).
torenuurwerk: Uurwerk in torens en gebouwen bestemd voor openbare tijdaanwijzing.
tractuur: Stelsel van trekdraden voor de bediening van een speelwerk.
trekdraad: Staaldraad voor het overbrengen van een trekkracht. Bijvoorbeeld de kracht die de slaghefboom, via de trekdraad, uitoefent op de slaghamer.
tuimelaar: Tussenhefboom voor het over een hoek overbrengen van krachten via trekdraden.
tussenas: As waarop het tussenrad bevestigd is.
tussenrad: Rad in het uurwerk dat dient om een gewenste snelheidsverhouding tussen bepaalde assen te bereiken.
uitgaand tandwiel: Tandwiel dat de verticale uuras aandrijft.
uitgaande as: Horizontale as die een keer per 1 of 2 uur ronddraait.
uitzingen: Het uitsterven van het geluid van een klok waarop geslagen is.
uuras: Uitgaande as die een keer per 1 of 2 uur ronddraait.
uurnok: Nok, op het uitgaande tandwiel of de gelijkzetinrichting, die het slagwerk laat starten.
uurrad: Centraal rad dat een keer per 1 of 2 uur ronddraait.
uurslagwerk: Slagwerk dat op elk heel uur en half uur slaat.
uurwerkstelling: Zie stelling.
valhoogte: De maximale afstand die de aandrijfgewichten kunnen zakken.
valkist: Kist, bij voorkeur gevuld met dakpannen, die de schade door een vallend aandrijfgewicht moet beperken.
verdeelwerk: Het stelsel van conische tandwielen om de draaiing van de uuras over te brengen op de horizontale assen naar de meerdere wijzerplaten.
verticale uuras: Verticale uitgaande as vanaf het uurwerk.
voorslag: Toestand waarin het slag- of speelwerk “op scherp” staat.
wijzeraandrijving: Stelsel van assen en tandwielen voor het aandrijven van de wijzers.
wijzerwerk: Tandwielkast met vertraging 1 : 12 die de wijzers aandrijft.
windvleugel: Luchtrem die het slagtempo van de slaghamer bepaalt.
wrijvingskoppeling: Koppeling voorzien van wrijvingsplaten die bij te grote krachten doorslippen. Toegepast bij windvleugels.
zaag: Uurwerkterm voor een getande hefboom die het aantal slagen bepaalt.
zaagslagwerk: Slagwerk met een zaag.
zonnetijd: Tijd afgeleid van de plaatselijke zonnestand.

De in Nederland meest voorkomende gangsystemen:

Kijk voor korte video's op de videopagina.

Vertikale spillengang
Vertikale spillengang (ca. 1280)

Horizontale spillengang
Horizontale spillengang

Ankergang
Ankergang (Clement ca. 1680)

Grahamgang
Grahamgang (George Graham 1715)

Pennengang
Pennengang (Amant ca. 1740)