Slagwerk

Slagwerk                    

Sluitrad slagwerk


De meeste torenuurwerken zijn uitgerust met één of meer SLAGWERKEN om de tijd te kunnen slaan op een SLAGKLOK, die vaak tevens dienst doet als LUIDKLOK. Het slagwerk wordt gestart door de SLAGWERKLICHTER die door de uurnok op een rad of schijf van het gaand werk wordt aangestuurd. Vlak voordat deze hefboom, de slagwerklichter, in de hoogste stand is gekomen, wordt het slagwerk vrijgegeven. Na een korte beweging wordt het geheel tegengehouden door een nok op de slagwerklichter. De toestand waarin het slagwerk zich dan bevindt heet VOORSLAG.

Nadat op het SLAGTIJDSTIP de slagwerklichter van de UURNOK is gevallen, begint het uurwerk te slaan. Een rad met nokken, het SLAGRAD, duwt regelmatig een hefboom naar beneden. Deze SLAGHEFBOOM trekt aan de TREKDRAAD die de SLAGHAMER heft. Elke keer als het slagwerk de slaghefboom vrijgeeft, valt de hamer op de klok en klinkt er een slag. Een veer zorgt er voor dat de slaghamer niet tegen de klok aan blijft staan, zodat de klok na elke slag vrij kan uitzingen. Ook het slagwerk ontleent zijn kracht aan een aandrijfgewicht.

Het SLAGTEMPO van een slagklok wordt bepaald door de grootte van de slagklok.
Hoe groter de klok, hoe trager het slagtempo moet zijn om de klok gelegenheid te geven om uit te zingen.
Het slagtempo wordt geregeld door de WINDVLEUGEL. Deze draait tijdens het slaan met een hoog toerental rond. De optredende luchtweerstand zorgt ervoor dat het slaan in het juiste tempo verloopt. Vaak zijn de bladen van de windvleugel instelbaar zodat het slagtempo kan worden ingesteld.

De combinatie van SLUITRAD/SCHIJFINVALLICHTER regelt het juiste aantal slagen voor elk uur. Het slagwerk stopt zodra de invallichter terechtkomt in een inkeping tussen de segmenten van het sluitrad.

Er bestaan ook slagwerkconstructies die voor het tellen van het aantal slagen een ander systeem hebben. Doordat de vorm van de getande hefboom, die dan het aantal slagen bepaalt, op een zaag lijkt, heten deze slagwerken: ZAAGSLAGWERKEN. Zij hebben anders dan slagwerken met sluitrad het voordeel dat zij niet van slag kunnen raken.

Torenuurwerken met een kwartierslag hebben een tweede slagwerk, het KWARTIERSLAGWERK, dat grote overeenkomsten vertoont met het UURSLAGWERK. De kwartieren kunnen ook in de vorm van een melodietje geslagen worden op een klein aantal klokken.

Bij torenuurwerken behoort soms een SPEELWERK. Voorafgaand aan elke kwartier-, halfuur- en uurslag wordt er, op 23 tot soms wel 49 klokken, een melodie gespeeld. De klokken worden bespeeld doordat hefbomen gelicht worden door stiften, NOTEN genaamd, die zijn aangebracht op een grote draaiende trommel, de speeltrommel. Aan elke hefboom, LICHTER geheten, is via een trekdraad een slaghamer verbonden, die op de SPEELKLOK slaat. Meestal is zo’n speelwerk, ook wel BEIAARD genoemd, uitgerust met een klavier waarmee de beiaardier handmatig het klokkenspel kan bespelen.

Slagwerk

Slagrad
De slaghefboom wordt bediend door de slagnokken op het slagrad (linksonder).

Slaghefbomen
Twee slagwerklichters bij het slagrad.

Slaghamer
Slagklok met slaghamer.

Zaagslagwerk
Uurwerk met zaagslagwerk.