Onderdelen van een torenuurwerk

De onderdelen van een torenuurwerk

Hoe werkt een torenuurwerk Tandwielen
Een torenuurwerk kan uit één of meer stellen tandwielen en rondsels zijn opgebouwd. Dit geheel is opgenomen in een ijzeren frame, de UURWERKSTELLING. Het tandwielstelsel dat zorgt voor het aangeven van de tijd, wordt het GAAND WERK genoemd en dat drijft, via assen en tandwielen, de wijzers aan. Het SLAGWERK, met een eigen tandwielstelsel, laat de uren slaan en, indien aanwezig, het SPEELWERK. Soms is er een apart KWARTIERSLAGWERK dat de kwartieren laat slaan.
Elk tandwielstelsel wordt aangedreven door een AANDRIJFGEWICHT, waarvan de kracht wordt overgebracht via een staalkabel of touw die op de OPWINDTROMMEL is gewonden. De opwindtrommel kan zijn vervaardigd van metaal of van hout. Met behulp van een OPWINDKRUK, die past op het vierkant van de as van de opwindtrommel, kunnen de staalkabels of de touwen waaraan de aandrijfgewichten hangen worden opgewonden. Als de aandrijfgewichten zeer zwaar zijn, wordt op de opwindtrommel een extra opwindrad aangebracht en wordt met een opwindrondsel het opwinden vergemakkelijkt. Vaak wordt dit rondsel alleen tijdens het opwinden in het opwindrad geschoven.
De raderen zitten vast op assen, waarvan de uiteinden, de TAPPEN, draaien in LAGERS die in de stelling zijn aangebracht. De kleine tandwielen met weinig tanden of pennen worden RONDSELS genoemd.
Op de kleine foto: twee tandwielen met aan de uiteinden van de assen de dunner gedraaide tappen. 1 is een massief rondsel en 2 is een zgn. lantaarnrondsel.

Korte geschiedenis van het torenuurwerk
Omstreeks 1275 na Christus moet het mechanische uurwerk zijn uitgevonden. Helaas is niet bekend door wie en waar. Men gaat er echter van uit dat dit heeft plaatsgevonden in een kloostergemeenschap. Immers kloosters waren in die tijd centra van wetenschap en techniek en men was in die gemeenschappen verplicht nauwkeurig de tijd te meten voor het vaststellen van de tijden waarin de koorgebeden moesten worden verricht. In dezelfde periode, de tweede helft van de 13de eeuw, zien wij in Europa een sterke opkomst van de steden en, daarmee samenhangend, de opkomst van een invloedrijke burgerij. Torenuurwerken gingen vanaf die tijd, aanvankelijk alleen in de grote steden, het maatschappelijk leven beheersen. Zij gaven door middel van slagen op een klok, wijzerplaten bestonden nog niet, het hele of halve uur aan. Daarnaast werden deze uurslagen, soms in combinatie met een luidklok, aangewend voor het aangeven van de tijdstippen van het openen en sluiten van de stadspoorten, begin- en eindtijden van markten, begin en einde werktijd, het ‘s avonds afdekken van de vuren enzovoort.
Naast het grote maatschappelijk belang van torenuurwerken, heeft aan de verspreiding daarvan zeker bijgedragen dat het hebben van een torenuurwerk voor de betreffende stad statusverhogend was. Deze status werd nog vergroot door aan torenuurwerken astronomische aanwijzingen, speelwerken en bewegende figuren toe te voegen.
Nederland volgde de Europese ontwikkelingen. Het verschijnen van torenuurwerken in dorpskernen werd pas algemeen toen ook op het platteland de noodzaak ontstond het dagelijkse leven te gaan ordenen. Het was meestal de kerkelijke gemeenschap die daartoe het initiatief nam.
Tot ca. 1830 had elke stad of dorp zijn eigen lokale tijd: het was 12 uur in de middag als de zon ter plaatse op haar hoogste punt stond. Hierdoor ontstond tussen Oost- en West-Nederland een tijdsverschil van ruim 10 minuten. Na 1830 ging een aantal steden over op de lokale middelbare zonnetijd. Niet de tijd die een zonnewijzer van dag tot dag aangaf, maar de tijd van een goed uurwerk, waardoor alle dagen dezelfde duur kregen. Het tijdsverschil tussen de verschillende plaatsen bleef echter gehandhaafd.
Aanvankelijk werd niemand gehinderd door het tijdsverschil tussen de verschillende steden en dorpen, omdat men zich toentertijd niet snel genoeg kon verplaatsen om hier last van te ondervinden.
Vanaf omstreeks 1850 werden, centraal, tijdssignalen per telegraaf doorgegeven. Het landelijke spoorwegennet noopte tot het vaststellen van dezelfde tijd voor het gehele land. In ons land werd in 1909 de Middelbare Zonnetijd van Amsterdam als wettelijke tijd ingevoerd.
De Duitse bezetting dwong ons in 1940 de Midden-Europese Tijd – dat was ook de tijd van Berlijn – te gaan hanteren. Na de Tweede Wereldoorlog heeft men in West-Europa deze tijd gehandhaafd. Groot-Brittannië hanteert de West-Europese Tijd.

Schema van een torenuurwerkinstallatie


a. galmgat met galmbord
b. luidklok/slagklok
c. slaghamer
d. wijzerwerk
e. verdeelwerk
f. pen-/schuifkoppeling
g. wijzerplaat tegen torenmuur
h. slinger (hier buiten het uurwerk aangebracht)
j. verticale uuras
k. trekdraad voor de slaghamer
l. slaghefboom
m. torenuurwerk (schematisch)
n. aandrijfgewicht gaand werk
p. aandrijfgewicht slagwerk

Uurwerk kabinet
Het uurwerk in een kabinet.

Katrollen
Katrollen voor geleiding van de staalkabels van de aandrijfgewichten.